Main Index: Hollands Statenvertaling

 

Job 19

[1] [2] [3] [4] [5] [6] [7] [8] [9] [10] [11] [12] [13] [14] [15] [16] [17] [18] [19] [20] [21] [22] [23] [24] [25] [26] [27] [28] [29] [30] [31] [32] [33] [34] [35] [36] [37] [38] [39] [40] [41] [42]

JOB 19:1 Maar Job antwoordde en zeide:

JOB 19:2 Hoe lang zult gijlieden mijn ziel bedroeven, en mij met woorden verbrijzelen?

JOB 19:3 Gij hebt nu tienmaal mij schande aangedaan; gij schaamt u niet, gij verhardt u tegen mij.

JOB 19:4 Maar ook het zij waarlijk, dat ik gedwaald heb, mijn dwaling zal bij mij vernachten.

JOB 19:5 Indien gijlieden waarlijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft;

JOB 19:6 Weet nu, dat God mij heeft omgekeerd, en mij met Zijn net omsingeld.

JOB 19:7 Ziet, ik roep, geweld! doch word niet verhoord; ik schreeuw, doch er is geen recht.

JOB 19:8 Hij heeft mijn weg toegemuurd, dat ik niet doorgaan kan, en over mijn paden heeft Hij duisternis gesteld.

JOB 19:9 Mijn eer heeft Hij van mij afgetrokken, en de kroon mijns hoofds heeft Hij weggenomen.

JOB 19:10 Hij heeft mij rondom afgebroken, zodat ik henenga, en heeft mijn verwachting als een boom weggerukt.

JOB 19:11 Daartoe heeft Hij Zijn toorn tegen mij ontstoken, en mij bij Zich geacht als Zijn vijanden.

JOB 19:12 Zijn benden zijn te zamen aangekomen, en hebben tegen mij haar weg gebaand, en hebben zich gelegerd rondom mijn tent.

JOB 19:13 Mijn broeders heeft Hij verre van mij gedaan; en die mij kennen, zekerlijk, zij zijn van mij vervreemd.

JOB 19:14 Mijn nabestaanden houden op, en mijn bekenden vergeten mij.

JOB 19:15 Mijn huisgenoten en mijn dienstmaagden achten mij voor een vreemde; een uitlander ben ik in hun ogen.

JOB 19:16 Ik riep mijn knecht, en hij antwoordde niet; ik smeekte met mijn mond tot hem.

JOB 19:17 Mijn adem is mijn huisvrouw vreemd; en ik smeek om der kinderen mijns buiks wil.

JOB 19:18 Ook versmaden mij de jonge kinderen; sta ik op, zo spreken zij mij tegen.

JOB 19:19 Alle mensen mijns heimelijken raads hebben een gruwel aan mij; en die ik liefhad, zijn tegen mij gekeerd.

JOB 19:20 Mijn gebeente kleeft aan mijn huid en aan mijn vlees; en ik ben ontkomen met de huid mijner tanden.

JOB 19:21 Ontfermt u mijner, ontfermt u mijner, o gij, mijn vrienden! want de hand Gods heeft mij aangeraakt.

JOB 19:22 Waarom vervolgt gij mij als God, en wordt niet verzadigd van mijn vlees?

JOB 19:23 Och, of nu mijn woorden toch opgeschreven wierden. Och, of zij in een boek ook wierden ingetekend!

JOB 19:24 Dat zij met een ijzeren griffie en lood voor eeuwig in een rots gehouwen wierden!

JOB 19:25 Want ik weet: mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan;

JOB 19:26 En als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen;

JOB 19:27 Denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot.

JOB 19:28 Voorwaar, gij zoudt zeggen: Waarom vervolgen wij hem? Nademaal de wortel der zaak in mij gevonden wordt.

JOB 19:29 Schroomt u vanwege het zwaard; want de grimmigheid is over de misdaden des zwaards; opdat gij weet, dat er een gericht zij.